Onwaardig onder de mensen

Bij dit verhaal werd de bovenstaande afbeelding getekend!

Onwaardig onder de mensen

Door het donker is het bos bijna niet meer van de verduisterde stad te onderscheiden. Ze rilt in haar dunne kleren, slechts voetje voor voetje komt ze vooruit. Eindelijk nadert ze de bouwvallige hut en laat zich binnen op het oude, verweerde matras vallen in de verste hoek van het kleine vertrek. Moe is ze, eindeloos moe. Dan weet ze niks meer.

Suze wordt wakker door een smalle streep van het avondlicht die, tussen de bomen door het groezelige raampje heeft kunnen bereiken. Nog ontwakend uit haar diepe slaap, moet ze even bedenken wie ze eigenlijk is. En waar ze is. Want ja, een jonge meid in een dichtgegroeid bos, waar de avond al valt, dat is toch te gek voor woorden? Het is echter de harde waarheid en ze zou er van moeten maken, wat er van te maken valt. Suze besluit eerst even haar benen te gaan strekken, en vervolgens het weinige brood op te maken, het restje dat ze nog van thuis had meegenomen. Thuis! Vroeger zo normaal, maar nu? Ze heeft geen thuis, het was oorlog, en ze heeft het koud. Brrr…

Die nacht slaapt ze slecht. Dat kwam vast omdat ze pas net wakker was, en ze voelt zich hier niet erg op haar gemak. Daarom verlaat Suze de hut al als de zon pas net boven de horizon uit komt. En zo vertrekt ze naar de stad, die ze, een paar dagen geleden, zo overhaast had achtergelaten. Het is nog vroeg, en dat is voor haar maar goed ook. Er zijn namelijk altijd wel bekenden op straat, die haar herkennen als de dochter van die landverrader. Suze kan het toch niet laten om even langs haar ouderlijk huis te lopen, in de buurt van de oude haven. Schijnbaar ongeïnteresseerd wandelt Suze door de straat. Het is een mooi en statig gebouw. Het huis waar ze zeventien jaar gewoond had. De vrolijke narcissen en de gekleurde tulpen geven de lente aan, maar niemand ziet het. Alle Rotterdammers lopen altijd met een boog om het huis heen, het huis van een NSB’er. En ook zij doet alsof het haar gestolen kan worden. Suze loopt snel verder. Verderop in de straat bevindt zich een kleine, gezellige bakkerij. Suze wist dat ze daar binnen heel hartelijk ontvangen zou worden, ook al is het pas tegen zevenen. Toch aarzelt ze nog even: is het wel slim? Maar terwijl ze daar staat, vliegt de zware winkeldeur al open. Een lieve, jonge vrouw met, ondanks de zorgen, een vrolijk gezicht, snelt naar buiten. ‘Suze!’. Die kreet, vol hoop en blijdschap weerkaatst in de straten van de oude havenstad. Vluchtig kijkt ze om zich heen. Heeft iemand het gehoord? Maar in deze vroegte is de straat verlaten. Dan volgt Suze haar naar binnen, en al snel zit ze met een kop surrogaatkoffie tegenover Anna, haar lieve vriendin. Het is voor het eerst in tijden dat ze iets warms binnenkrijgt, en ze geniet, ook al smaakt het niet eens naar echte koffie. ‘Ik kan niet te lang blijven’, zegt ze, maar toch blijft ze zitten. Het is ook zo gezellig in de knusse, warme keuken! Ze praten over koetjes, kalfjes en over oorlog. Lize, Anna’s dochtertje, van een jaar of vier, vijf, is bij Suze op schoot geklommen. Die vindt het geweldig dat Suze even bij hen komt kijken. Na een half uur besluit ze spijtig dat het tijd is om te gaan. Anna, de lieve bakkersvrouw, pakt nog vlug wat broden in, die ze voor Suze uit de bakkerij bij Jasper heeft gehaald.

Voor ze afscheid nemen, kijkt Anna haar echter even strak aan. ‘Suze’, zegt ze, ‘ik heb hier een brief voor je, een brief van je ouders. Lees hem, op het moment dat je er klaar voor bent, maar’, ze zwijgt even, ‘wacht niet te lang!’. Suze wordt bleek, en kijkt haar recht in de ogen. Nee! Het kon niet! Duizenden gedachten buitelen door haar hoofd. Dan draait ze zich om, en vliegt door de achterdeur naar buiten, in de richting van het bos.

Het duizelt in haar hoofd. Om niet op te vallen loopt ze, maar eigenlijk heeft ze de neiging heel hard te rennen, te rennen naar een veilige plaats. In haar hoofd draait het maar om één ding, één vraag. Wat is het geheim van de brief? Suze beseft maar al te goed dat de brief haar leven zal veranderen, al is de manier waarop haar nog niet duidelijk. Een ramp of een opluchting? Goedschiks of kwaadschiks? Ze weet het niet. Zou het wel verantwoordt zijn de zegel te verbreken, de envelop te openen en de inhoud te lezen?
Daar is de bosrand. Suze versnelt haar pas en verdwijnt tussen de dichtbegroeide takken van de eerste bomen. Nog één keer kijkt ze om. Het is oorlog, en in een situatie als deze is waakzaamheid geboden. Ze trekt een sprintje en zorgt ervoor dat ze zo snel mogelijk in haar tijdelijke onderkomen is.

In de loop van de dag, en de gehele volgende dag, overlegt ze met zichzelf over de geheimzinnige brief. Terwijl ze hem in haar handen houdt, weet ze dat ze vandaag moet beslissen. Zittend tegen een boom, waar ze een redelijk uitzicht heeft, neemt ze haar beslissing. Suze haalt diep adem, verscheurt het zegel, opent de envelop en leest de brief. En schok gaat door haar heen. Ze laat zich achterovervallen en sluit haar ogen. Dit kan niet waar zijn!
De rest van de week leeft Suze in een roes. Ze kan het bijna niet bevatten: Ze is bedrogen! Al die jaren door. En zij? Zij heeft al hun verhalen, verzinsels, geslikt als zoete koek. Ze hadden voor me gezorgd, dat wel, maar nu? Nu de nood aan de man komt, verkiezen ze zichzelf boven hun dochter. Suze zucht. Uit pure frustratie balt ze haar vuisten. Dan pakt ze de brief en leest ‘m opnieuw.

Suze,
Wij als ouders begrijpen de reden van jou vertrek niet. We zullen deze accepteren, ook al hebben we er verdriet van dat je deze keuze hebt gemaakt. Graag hadden we jou een opvoeding gegeven die er voor had gezorgd dat jij, net als wij, in de Führer had gelooft. Dan had je vast minder moeite gehad met dat geplaag van die oranje-bolsjewieken. Hoewel het bij jou allemaal net wat anders ligt doordat je joods bent, net als je moeder. En, als je zusje… Een zusje van jou wordt opgevoed als dochtertje van de bakker. We voelden ons genoodzaakt om jou dat te vertellen, maar we verzoeken je wel het zo te laten…
In volstrekte geheimhouding,
Henk & Sara Huygen

Opnieuw moet ze zich inhouden om de brief, zo harteloos aan haar gericht, niet te verscheuren. Niet meer welkom. Maar waar moet ze heen? Suze staat op. Ze wil slapen, en alles vergeten.

De volgende dag wordt ze wakker als de zon al hoog aan de hemel staat. Luisterend naar de onbezorgde vogels, die de mooiste liedjes fluiten, kijkt ze naar de bomen, wuivend in de wind. Ze beginnen rond maart al aardig groen te worden. Toch kan ze er niet echt van genieten. In de verte hoort Suze het rommelen van de oorlog, die zonder medelijden haar soortgenoten doodt. De oorlog, vol blinde mensen die Hitler volgen, wat hij ook zegt. Blinde mensen zoals mijn eigen vader.

Dat na deze mooie lentemorgen zo’n rampzalige middag zou komen, had ze niet kunnen denken. Toen nog niet.

Terwijl Suze net een hap van haar brood in mijn mond stopt, heft ze ineens haar hoofd op. Ze hoort iets, een bijna bekend geluid, en het komt steeds dichterbij. Een golf van angst gaat door haar heen: Vliegtuigen! Wat moeten die hier? Wat is hun doel? Suze staat op, in de hoop iets te zien, maar het dichte bladerdek maakt dat onmogelijk. Het is hun vast om de havens te doen! Als die nog eens verwoest worden! Dat zou voor de nazi’s een hele strop zijn. Ze kauwt langzaam verder op haar broodje, terwijl ze luistert naar het aanzwellende geluid. Ze moeten al dicht bij de stad zijn, want het afweer begint al te ratelen, maar de vliegtuigen vliegen te hoog.

Er is iets mis, iets vreselijk mis! Suze schiet overeind, haar hart kloppend in haar keel. Nog steeds hoort ze de vliegtuigen, ze komen steeds dichterbij. Ze komen te dichtbij. Ze zijn de havens voorbijgevlogen…

Dan, een tik, een zacht suizend geluid… Suze schreeuwt het uit: bommen! En ja, een explosie, in het hart van de woonwijk, vlak bij de haven. Nog meer bommen zoeken hun weg naar de aarde. Nogmaals geeft ze een gil. Dan springt ze op en begint te rennen, niet voor haar eigen leven, maar voor het leven van haar zusje. Ze heeft een zusje! En zij leeft in de stad…

Zo snel haar benen haar kunnen dragen rent Suze in de richting van de oorverdovende herrie, naar de stad. Eigenlijk heeft ze de neiging de andere kant op te gaan, wég van die afschuwelijke oorlog, maar het kan niet. Gelukkig vallen er geen bommen meer als ze bij de bosrand komt, en de vliegtuigen vliegen weg na hun vernietigende werk.

Suze’s maag draait om bij het zien van de verwoestte stad. Verschrikkelijk! De plaats waar ze is opgegroeid ligt volkomen in puin… Toch gunt ze zichzelf geen tijd om te stoppen, te kijken of zelfs maar na te denken. Ze vliegt meteen in de richting van de bakkerij. Of eigenlijk: de plaats van de bakkerij. Haar adem stokt als ze de puinhoop ziet. Het woongedeelte is met de grond gelijk gemaakt, maar Jaspers keuken staat, hoewel flink beschadigd, nog grotendeels overeind. Suze loopt naar de grote, zware deur en stapt naar binnen. Niemand te bekennen. Ze verlaat de bakkerij weer, maar dat had ze misschien beter niet kunnen doen…

Suze verstijft. Voor haar verschijnt een groep jongens van haar leeftijd. Ze kijken haar spottend aan. ‘Zo, daar hebben we die landverrader weer’, smaalt er een. ‘Joh’, zegt een ander, ‘waar zat jij al die tijd?’ Weer een ander schreeuwt: ‘Mooi gezicht hè, zo’n verwoestte stad. Hoe zou dat toch komen?’. Suze staart ze aan en weet niet wat ze zo snel moest zeggen. Ze had gehoopt hen nooit meer te hoeven zien. Dan ziet ze in een flits een brok steen in de handen van de langste knul. Een snelle beweging… De wereld draait. Dan wordt alles zwart…

Een rotterdammer moet haar hier heen hebben gedragen, want als Suze bijkomt ligt ze op een zacht, breed divan. ‘Lize, Lize’, fluistert ze zachtjes terwijl ze, knipperend tegen het daglicht, haar ogen opent. Ze kijkt het kamertje rond waar ze ligt. Het is een tikkeltje ouderwets, maar wel gezellig. Suze voelt zich echter niet zo gezellig. In haar spelen gevoelens als angst, voor het lot van haar zusje, maar ook ingehouden woede tegenover de Duitsers, haar ouders en de kwajongens, die haar dit hadden aangedaan. Wat had ze toch bezield?!

Door de deur aan haar voeteneinde kijkt een vrouw, die zo haar oma had kunnen zijn. ‘Ze is wakker, Adriaen!’ roept ze. Het antwoord kan Suze niet verstaan, maar even later komt er een oude baas, Adriaen waarschijnlijk, binnen. Hij gaat aan haar bed zitten en stel zich voor. ‘Adriaen Haegen’. ‘Suze.’ Ze weigert haar achternaam, de naam van een NSB’er, te noemen, maar de vriendelijke man begreep het zelf ook al. Vlug legt ze uit dat zíj geen landverrader is. ‘Mooi’, zegt hij, ‘maar… wat deed jij dan op straat, vlak na zo’n bombardement?’ En Suze begint te vertellen: ‘Ach, u heeft gezien hoe men over mij denkt. En, mijn moeder is een joodse, dus ik ben het ook’. Ze kijkt hem voorzichtig aan, maar hij knikt slechts. Ze vertelt verder, maar opeens stokt haar verhaal. ‘Lize!’, ze wil al van de divan springen om haar te gaan zoeken, maar een felle hoofdpijn belemmert dat. Ze kijkt hem smekend aan, maar hij antwoordt: ‘straks, vertel eerst verder.’ En verder verteld ze. Alle angst, woede en teleurstelling komt eruit. Ze voert hem mee in haar verhaal, vanaf het moment dat de Duitsers ons land binnen waren gevallen, over haar vader, die probeerde haar Nazi-ideeën bij te brengen, iets wat niet gelukt was. Over de groep straatjongens, die haar pestten met haar vader en met haar joodse afkomst. ‘Weet u, bij de joden is het zo dat, als je moeder joods is, jij het ook bent. Mijn moeder is echter getrouwd met een Nederlander, zodat zij geen gevaar loopt om afgevoerd te worden. Ik loop dat gevaar officieel wel, maar bijna niemand weet dat ik niet Nederlands ben. En ik heb ook nog een zusje van vijf, waarvan ik dacht dat zij het dochtertje van een vriendin was!’ Nog steeds verontwaardigd gaat ze verder. Dan zegt Adriaen: ‘Suze, mag ik je een vraag stellen? Ben je boos?’ Suze kijkt hem niet-begrijpend aan. Natuurlijk was ze boos, ze was woedend! ‘Luister’, spreekt hij, ‘jij bent boos omdat je thuis weg moest terwijl het niet jouw schuld was. Daardoor heb je zelfs een tijdje in het bos moeten leven, zonder alle gemakken die je thuis altijd had. Dat klopt, hè?’ Ze knikt kort, en Adriaen gaat verder: ‘ik ken nog Iemand die zoiets overkwam, maar Hij werd niet boos. Hem hebben ze ook geplaagd en later zelfs gedood, maar Hij werd nooit kwaad, Hij dacht zelfs nooit kwaad over Zijn vijanden!’ Suze schiet overeind. Dat is onmogelijk! ‘Weet je, Hij ging weg van huis om Zijn vijanden te helpen. Zijn Vader is God, en Hij moest naar de aarde, waar mensen boos, verdrietig of bang kunnen zijn, terwijl in Zijn woonplaats alleen geluk heerst. Hij werd zelfs geboren in een hut, in een stal! Dat gebeurde tijdens Kerst, zal ik je dat verhaal eens vertellen?’ Het is volgens mij eerder Pasen dan Kerst, zo in maart, maar toch knikt ze. Ze luistert en luistert, en Adriaen praat en praat maar. Hij vertelt het verhaal van begin tot eind. Suze vindt het fijn dat hij de tijd neemt dat prachtige verhaal te vertellen, maar is wel teleurgesteld als hij uiteindelijk stopt. Hij belooft dat hij ervoor zou zorgen dat ze er nog meer over zou horen en laat haar beloven aanstaande zondag mee te gaan naar Gods huis.

Dan komt Lize weer in haar gedachten. Adriaens lach wordt breder als hij zegt: ‘Lize van de bakker? Welnu, lieve meid, wist je niet dat onder Jaspers bakkerij een mooie schuilkelder zit? Als je hoofdpijn wat verder over is, zullen we er wel eens even gaan kijken…’

Dit verhaal is gebaseerd op een bombardement op Rotterdam, in de tweede wereldoorlog. Dat was op 31 maart 1943. Men noemt het: ‘het vergeten bombardement’ omdat de bommen, die voor de haven bedoelt waren, op een woonwijk terechtkwamen. Dit kostte 326 Rotterdammers het leven en vernietigde een groot deel van de wijk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *