Het geheim van Geert

Het geheim van Geert

Het was rond de koude kerstdagen in 1944. De Duitse adelaar werd steeds meer verslagen maar werd ook steeds feller. Nederland (vooral het westen van Nederland) was uitgeput. Ook Neeltje van Groenendaal. Net voor de oorlog is ze verhuisd naar Ermelo, waar ze samen met haar man 5 jaar gewoont heeft. Maar twee maanden geleden, 24 oktober 1944, was een spannende dag. Die dag vergeet ze niet meer.

Ze had op die dag, twee maanden geleden, ‘s nachts niet zo goed geslapen. Ze had vreselijke hoofdpijn, wat voor haar gevoel niet erg gewoon was. Die ochtend, rond 6 uur, toen ze naar de kamer liep, zag ze dat er wat op de deurmat lag. Een envelop! Zo vroeg al!? Rechtsboven in de hoek stond een grote, adelaar. Een bericht van de Duitsers? Met trillende vingers maakte Neeltje de envelop open:

Liebe Nachbarn,(geachte buurtbewoner)
Ihr Ehemann oder Sohn wird gebeten, sich um zehn Uhr auf dem Kirchplatz vor der Kirche zu melden.
(Uw man of zoon wordt verzocht zich om tien uur zich te melden op het kerkplein voor de kerk)
Der Deutsche,
Whermacht

Als ze die brief leest, wordt ze bleek van schrik. Een ogenblik is ze verlamd. Een razzia! Schiet het door haar heen. Ze roept haar man die ook de brief leest. Als hij de brief leest, zegt hij:” Lelijke moffen, Neeltje,’ en terwijl hij ze omhelsd,”maar ik ga me nooit melden, ik ga me verstoppen.’ Terwijl hij dit zegt opend hij het zolderluik en klimt hij de zolder op. Ondertussen wordt er op de deur geklopt. Nou, geklopt, nee, gebonst. Neeltje moet wel naar de deur, want anders bezwijkt de deur onder de krachtige slagen van de Duitsers. “Öffne diese Tür,’ wordt er geschreeuwd. Terwijl ze de deur opendoet, vraagt ze: “Kan het een beetje za..’ Ze kan haar zin niet eens afmaken, want de Duitsers slaan haar aan de kant. Eén Duitser dwingt haar te zitten op een stoel. Algauw vinden de Duitsers de andere duitsers al gauw haar man vonden, hield er één duitser de wacht. Aan die Duitser zag ze iets bekends in zijn gezicht. Toen stond haar hart een ogenblik stil: Het was haar broer! Ze werd eerst boos en verdrietig, maar toen werd ze woedend: “Jij hebt m’n man verraden!’ schreeuwde ze tegen haar eigen broer Gijsbert.”Jij bent laf!’ Toen kon ze zich niet meer inhouden, ze stortte zich op haar eigen, bloedeigen broer en krabte, schreeuwde en trapte zo hard ze kon. Op dat moment greep de commandant van het troepje soldaten in. Hij sloeg met z’n geweer hard tegen haar hoofd. Toen viel ze in een diepe, donkere put…

Toen ze uit haar bewusteloosheid terug keerde keek ze om zich heen. De deur stond open, kasten stonden open, het linnegoed lag overhoop en ook alle jassen, tassen en dassen. In zichzelf werd ze woedend. “Lelijke moffen!’ siste ze. Terwijl ze dit zei werd er op de deur geklopt. Als dit Duitsers waren, had ze uit een keukenla een mes gepakt en zouden ze er niet allemaal levend vanaf zijn gekomen. Maar gelukkig, het was de buurvrouw, ook met tranen in haar ogen zei ze: “M’n man is ook opgepakt.’ Ze ging op een stoel zitten en snikten het uit. Ook Neeltje probeerd zich te beheersen, maar inwendig snikt ze het uit.

Ondertussen terwijl Neeltje dit denkt, en met Marlou (dat is dus haar buurvrouw) aan het praten is, gaat het met Geert niet zo voorspoedig vergeleken met hen. Geert zit in een wagen vol met medegevangenen, die net als hem ook op transport zijn naar, ja, waarheen eigenlijk? Niemand die het precies weet. De een zegt dat ze naar het vreselijke kamp Amersfoort gaan, de andere zegt dat ze naar Duitsland op transport gaan om bij de fronten te gaan werken, maar niemand die het zeker weet. Maar op een gegeven moment remt de trein sterk af. Een al wat oudere man van in de 70 kan z’n evenwicht niet meer houden en valt voorover op de grond. Een paar mensen schieten haastig toe maar een Duitse soldaat jaagt ze allemaal uit elkaar en schopt de man net zolang tot dat deze wel moet opstaan. Niemand die weet waar ze zijn, niemand. Niemand?

De mensen lopen verder, al verder tot ze in de verte uitkijktorens en prikkeldraad zien opdoemen. Maar het lijkt nog zo oneindig ver weg. Soms valt er iemand, maar die wordt gelijk door het toeziend oog van de Whermacht weer overeind getrapt. Als ze eindelijk na ongeveer twee uur bij het kamp aankomen, word bij iedereen zijn of haar afgeknipt met een mesje, daarna wordt er bij iedereen op z’n rug een nummer gebrand. Vervolgens wordt iedereen naar een barak gebracht, waarbij het een onuitsprekelijke chaos is. Iedereen zit of ligt vlak bij elkaar. Sommigen van de net binnengebrachte mensen passen niet meer in de barak en moeten maar buiten slapen. Ook Geert is een van hen. Dan moeten ze naar de áppel plaats komen, waar ze keurig een half uur in de rij moeten gaan staan. Niemand lacht. Geert voelt zich ellendig. Hij denkt aan z’n vrouw, die daar bewusteloos op de grond lag toen hij vertrok. Hij heeft haar voor het laatst in de ogen gekeken vlak nadat hij de brief gelezen had. O, wat was hij geschrokken!

Opeens roept een Duitser zo hard dat iedereen heel hard schrikt:”Allkommen, um eine Schüssel Suppe nach der anderen zu bekommen! (Vertaald: allemaal ‘’één voor één een kop soep komen halen!). Die soep bestaat uit een beetje water, koud water met wat aardappel en een paar erwten. Na het eten mag iedereen naar z’n eigen barak gaan waar het natuurlijk weer een chaos wordt. Geert is zo verstandig om daar niet aan mee te doen, en blijft maar buiten. Dan voelt hij een hobbel in z’n binnenzak. Dan weet hij wat het is: z’n zakbijbeltje! “Mensen,’ zegtt Geert met overslaande stem,” Ik heb m’n Bijbeltje nog, laten we daaruit lezen!’ Iedereen die het maar wilt horen komt naar buiten. Hij slaat de Bijbel open bij Handelingen 12 vers 8 en leest: En de engel zeide tot hem: Omgord u, en bind uw schoenzolen aan. En hij deed alzo. En hij zeide tot hem: Werp uw mantel om, en volg mij. Die nacht slaapt iedereen. Vooral Geert, want hij heeft nu een Geheim bij zich. En dat Geheim, dat wil hij voor geen geld aan de Duitsers leveren!

Zes maanden heeft Geert zo in in het kamp gezeten. Steeds weer heeft hij uit zijn Geheim gelezen. Nu regent het hard, en het is koud. Een ideale gelegenheid om te vluchten, denkt Geert. Maar hij twijfelt. Als de Duitsers hem weer te pakken krijgen. En vooral met die Bijbel, waar hij zo zuinig op is, dat is zijn Geheim, daar moet geen ander aan zitten. Maar de twijfel is gauw weg. Want God gaat hem helpen, dat weet hij vast!

Hij overlegt in het geheim met nóg een man. Die man komt ook uit Ermelo, ontdekt Geert met blijdschap. Ze zullen deze avond nog bij elkaar komen, dan kunnen ze nog een aantal dingen bespreken voor de ontsnapping. Het neemt best nogal wat risico met zich mee want eigenlijk mogen ze na spertijd niet meer buiten de barakken komen. Maar eindelijk, rond 1 uur ‘s nachts hebben ze hun plan klaar. Ze zullen deze nacht nog rond 4 uur rond de schemering vertrekken. Dus ze kunnen wel even wat slapen voor ze vertrekken.

Als het een beetje begint te schemeren sluipen twee gedaantes voort over de harde grond. Soms knapt er een takje onder hun voeten. Dan weer schrikken ze op van een vogel die plotseling opvliegt. Maar nu moeten ze opletten, want ze naderen de poort. Zo stil als muizen sluipen ze precies door het midden van de wachters in. Er hangt een beetje mist. Dat is in hun voordeel. Twee zwaarbewapende soldaten staan op wacht bij de poort. Maar dan gaat er plotseling iets mis. Geert stapt op een takje zo groot als een volwassen hand en die breekt in tweeën. Een van de twee soldaten hoort het en vertrouwt het niet. Hij schreeuwt: “Bleib auf und hebe deine Hände!’ (Vertaling: blijf staan en handen omhoog!). Allebei schrikken ze geweldig als ze de Duitser horen schreeuwen. Een ogenblik staan ze stil van schrik. Maar dan komen ze al gauw weer tot hun bezinning. Weg, weg van hier! Ze rennen wat ze kunnen om maar uit de handen van de Duitsers te blijven, wat ze voor geen geld willen. Nog even volhouden, ze zijn al bijna bij een stukje bos zo groot als vier grote voetbalvelden bij elkaar. Geert hoort de ademhaling van z’n makker in z’n nek. Hij vraagt zich af hoe lang geleden ze nog in de barak zaten. Vijf, tien minuten misschien? In ieder geval niet zo lang. In welke plaats zouden ze nu zijn? Hij weet het eigenlijk niet eens. Gisteren hebben ze er niet over verteld in welk kamp ze terecht zijn gekomen…

PANG!! PANG!! PANG!!! Drie knallen hoort Geert. De kogels vliegen rakelings langs hem heen. Dan ineens hoort hij een plof achter zich. Dan wordt Geert keihard tegen de grond gesmeten. Ineens realiseert hij: ze gooien! Met handgranaten! Dan hoort hij stemmen van Duitsers achter zich. Foute boel! Realiseert hij ineens. Hij laat zich op de grond zakken…
“Aufstehen!” hoort hij ineens. Hoe kan dat, waar is hij? Dan weet hij het ineens weer: Duitsers! Ze hebben hem ontdekt! Hij gehoorzaamt onmiddellijk. Want hij weet als je nu gaat rennen dat je een hele grote kans hebt om doodgeschoten te worden. Dan wordt hem bevolen om 1 Duitser te volgen. Voor, naast en achter hem lopen Duitsers die moeten voorkomen dat hij vlucht… Waar zou hij heen gaan? Hij weet het niet eens. En als hij het zou weten dan zou hij juist wel geprobeerd te hebbem te vluchten. Want wat gebeurt er…

In het midden op een spoor waar regelmatig een trein met goederen of met soldaten langs komt wordt hem bevolen om stil te blijven staan. Hij gehoorzaamt onmiddellijk. Wat zou er nu gebeuren? Hij weet het niet. Het is donker. Heel donker. Niemand die voorbijrijdt. En een enkele keer als er iemand voorbijrijdt wordt er geen aandacht geschonken aan het groepje mensen die daar zomaar eenzaam en verlaten op de spoorlaan staan. “Warte,’ wordt hem opgedragen. Waarom zou hij nou weer moeten wachten? Op nog meer mensen net als hij?

Even zo’n tien minuten later arriveert er een grote wagen helemaal vol met vijf Duitsers en… drie mensen die er als een Jood uitzien. Een beetje donker van kleur zijn ze, maar waar hij ze vooral aan herkend is de Joodse ster die ze rechtsboven op hun borst dragen. Dan wordt hij best ineens zenuwachtig. Waarom komt er een Duitse auto met nog meer macht en nog drie Joodse mensen? Het is hem een raadsel.

Hen wordt opgedragen om naast elkaar op de rails te gaan staan. Geert weet het ineens weer. Hij herinnerd zich dat zijn buurman hetzelfde had verteld: In een rij naast elkaar staan en dat doodgeschoten te worden om vervolgens te blijven liggen tot de lijken worden opgehaald om begraven te worden. Het vooruitzicht om daar langs de kant te liggen maakt hem niet echt vrolijk. Ineens klinkt er een knal. De eerste man klapt naast Geert op de grond. Nu is hij aan de beurt. Een kort gebed stijgt naar omhoog. Hij houdt zijn hand op zijn borstzak, waar zijn Geheim zit: de Bijbel. Dan klinkt er een knal. Een kogel scheert over zijn schedel heen en neemt een paar haren mee. Het bloed een beetje op zijn hoofd. Geert valt als een blok op de grond.

“Zo we kunnen verder,’ klinkt er een stem. “Inderdaad,’ beaamd een ander. Nog een paar tellen en de Duitsers trekken af. Geert houd zijn adem in. Gaan ze echt weg, of is dit een val? Hij weet het niet. Maar hoe kan Geert nog leven? Hij was toch neergeschoten? Inderdaad, dat leek wel zo, maar toen het schot klonk dacht Geert ook dat dit zijn einde was. Maar de schutter schoot iets te hoog. Geert smeet zich op de grond, waarna hij doodstil bleef liggen. En nu ligt hij dus daar, roerloos. Na anderhalf uur vindt Geert het wel genoeg. Hij kijkt in het licht van de maan op zijn horloge. Ongeveer kwart voor twee al. Welke datum zou het zijn? Hij drukt een paar knopjes in. Vier mei, ziet hij. In de verte hoort hij schoten. Zoeken ze hem? Waar zou hij zijn? Hij loopt het bos in waar hij op den duur een huis tegenkomt. Zou hij het wagen? Hij besluit eerst even door het raam te kijken. En wat ziet hij daar? Vier mannen zitten achter een radio te luisteren. Vrienden, schiet het door hem heen! Hij rent om het huis heen en belt aan. Een jongen van een jaar of 22 doet de deur open op een kier. Want ja, voor je het weet staat er zo’n Duitse patrouille bij je aan de deur. Dat moet je ook niet hebben natuurlijk. “Wie ben jij,’ klinkt het nors uit de jongen z’n mond. Geert herinnert ineens weer de code van de verzetsgroep van thuis. “De maan zakt, als de zon oranje begint te schijnen,’ zegt Geert. “Kom binnen,’ nodigt de jongen uit, ‘ga maar gauw luisteren bij de radio, er is nieuws.’ Als Geert de woonkamer binnenkomt, gaat er een gejuich op. “We zijn bevrijd,’ zegt iemand tegen Geert. Geert kijkt beduusd. “Hoe is het mogelijk,’ denkt hij bij zichzelf. “Weet iemand waar we zijn?’ vraagt hij. “Weer je dat niet?’ vraagt de jongen die hem binnen hebt gelaten, ‘in Ermelo!’ Er gaat een schok van blijdschap door Geert heen. Hij stelt zich aan de andere voor en vertelt dan wat voor avontuur hij heeft beleefd.

“En,’ besluit hij, ‘dat Geheim heb ik nog steeds. En dat Geheim heeft er bij mij voor gezorgd dat ik moet kreeg om te werken in het kamp. Het zorgde er ook voor dat ik het grote besluit nam om te vluchten. Vreselijk was het daar in het kamp. Maar nu moet ik ook weer snel naar m’n vrouw toe.”

Als Geert thuiskomt belt hij eerst aan. Er komt niemand naar de deur. Nog een keer belt Geert aan, maar nu wat langer en harder. Nu komt er wel beweging in de woonkamer. Een gestalte in het huis loopt langzaam naar de deur toe en doet de knip open. Vervolgens doet de gestalte de deur op een kier open. “Wie is daar?’ hoort Geert. “Ik ben het, Geert!’ zegt Geert.
“Geert!’ Neeltje huilt van blijdschap. Hij stapt de gang in en loopt door naar de woonkamer. Daar wacht hem opnieuw een verrassing: zijn moeder zit op de bank! “Moeder!’ roept Geert uit. “M’n kind!’ roept zijn moeder met overslaande stem.

Die avond zitten ze met z’n drieën in de woonkamer. De vlag hangt uit, want de bevrijding is er. Het wordt een gezellige avond. Eerst gaan ze naar het dorpsplein waar de burgemeester het woord houdt. Daarna gaan ze weer naar huis waar Neeltje koffiezet. Die echte koffie heeft ze bewaard tot aan het einde van de oorlog. O, wat is dat lekker! Na het koffiedrinken verteld Geert eerst nog z’n verhaal van wat hij meegemaakt heeft.

“En,’ besluit hij,”Dat Geheim heb ik nog.” En terwijl hij dit zegt haalt hij zijn Bijbeltje uit z’n binnenzak. “Dit middel,’ zegt hij ontroerd,”heeft mij kracht gegeven om te vluchten. Maar wat véél belangrijker is dat als je in God geloofd, dat Hij dan ook voor je wilt zorgen.’

Met tranen in hun ogen luisteren Neeltje van Groenendaal en zijn moeder naar wat Geert vertelt. En dan besluit Geert: “Door dat Geheim ben ik te weten gekomen wie God is.” Nadat Geert voor dit moment, klaar is met zijn verhaal zingen ze nog:
’t Heil geheim wordt aan zijn vrinden;
Aan zijn vrêêverbond getoond;
Dogen houdt mijn stil gemoed,
Opwaarts om op God te letten.
Hij die trouw is zal mijn voet;
Voeren uit de boze netten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *