Het verhaal van het Koningskind

Het verhaal van het Koningskind

‘Rol het deeg zo plat mogelijk uit, Amirah’, zegt moeder. Ze mengt de kruiden door het vlees. Haar stem klinkt hoog en trilt een beetje. Amirah kijkt omhoog naar haar moeder en ziet een traan in haar oog blinken. Ze weet wel waarom haar stem anders klinkt, want ze is verdrietig. Amirah besluit om nog beter haar best te doen om haar moeder te helpen met de afscheidsmaaltijd voor haar vader. Ze rolt het deeg zo plat ze kan en kijkt naar haar moeder die rolletjes maakt van het vlees. Moeder zucht diep en er drupt een traan op haar hand. ‘Oh Allah, help ons toch’, fluistert ze zacht. Amirah wil wat zeggen, maar er komen geen woorden uit haar mond. Ze denkt terug aan de laatste keer dat ze moeder had zien huilen en hardop tot Allah hoorde bidden. Meer dan een jaar geleden was het al, toen ze wegvluchten uit Syrië. Ze waren allemaal verdrietig geweest, vader, moeder, haar broer Nasir en Amirah zelf ook. Vader en Nasir waren vooral boos geweest. ‘Ik wil helemaal niet weg hier!’ had Nasir geschreeuwd en hij had met zijn vuisten tegen de deur gedreund. Vader wou blijven om te vechten, maar uiteindelijk had moeder geregeld dat ze konden vluchten en waren ze met hun gezin in België terecht gekomen. En nu ging vader terug. Terug naar Syrië.

‘Nasir, ik vlieg naar Turkije en dan reis ik door naar Syrië,’ zegt vader. Hij neemt een grote hap van het brood met de groenten die Amirah en moeder klaar hebben gemaakt. Ze zitten met hun kleine familie van vier om de tafel heen. ‘Vader, ik wil ook mee, laat me alstublieft meegaan!’ smeekt Nasir en hij gaat op het puntje van zijn stoel zitten. ‘Nee Nasir, jij moet hier blijven om voor de vrouwen te zorgen’, antwoordt vader. ‘Ik kan goed schieten, we kunnen samen gaan, ik ben oud genoeg!’ probeert Nasir nog een keer en hij kijkt vader hoopvol aan. Vader schudt nee. Amirah weet dat de ideeën van haar vader nooit veranderen. Ze kijkt daarom ook verbaasd naar moeder wanneer ze zacht tegen vader begint te praten. ‘Hasan, alsjeblieft, blijf hier. We hebben je hier ook nodig. Het is daar zo gevaarlijk, je zult sterven in de oorlog!’ ‘Vrouw!’ zegt vader en hij staat op van de tafel. ‘Ik moet terug, begrijp je dat dan niet? Ik ga vechten voor Allah, hij zal mij helpen. Ik heb mijn vrienden daar alleen gelaten en ik heb er spijt van. Wat doe ik hier? Ik zit hele dagen op het balkon. België is een slecht land vrouw, kijk om je heen. Ik zie nauwelijks mensen die onze profeet Mohammed volgen. Dit is een slecht land!’ Vader loopt wild gebarend door hun kleine kamer heen. Vier stappen heen en vier stappen terug. Amirah volgt hem met haar ogen. Nee, ook zij zou vader nooit over kunnen halen om te blijven. Vader zou gaan. Ze klemt haar lippen op elkaar zodat ze niet zou huilen.

Amirah leest de vraag in haar aardrijkskunde boek nog eens. Deze ochtend leek het wel of haar gedachten als een vogel overal heen zweefden. Maar ze dacht het meest aan vader. Waar zou hij zijn en zou ze vader ooit nog terug zien? Ze dacht ook aan wat Nasir deze morgen had gezegd, voordat ze naar school ging. ‘Zeg nooit tegen iemand waar onze vader is, begrepen?’ had hij haar dreigend gezegd. ‘Als er ook maar iemand achter komt dat hij terug is naar Syrië om te vechten, dan komen we in de gevangenis terecht, begrepen? Houd het geheim!’ Amirah had stilletjes geknikt en probeerde niet naar zijn boze ogen te kijken. Zachtjes hoorde ze de kinderen om haar heen fluisteren. Ze leest de vraag voor de derde keer. De deur van de klas gaat langzaam open en er stapt een meneer binnen. Hij ziet er vriendelijk uit. ‘Kinderen, de boeken op de hoek van de banken en luister goed naar deze pastoor, hij gaat ons een godsdienstles geven’, zegt de lerares. De meneer begint te praten. Hij laat een dik, zwart boek zien. Amirah vind het boek op de Koran van thuis lijken, maar de meneer vertelt dat het boek ‘Bijbel’ heet. Er zijn mensen die dat boek heel belangrijk vinden. Christenen heten ze, zegt de man. Amirah schrikt. Vader en Nasir hebben een hekel aan christenen. ‘Allah is god en niemand anders!’ zei vader vaak. ‘Andere godsdiensten moeten gestopt worden!’ Nasir had altijd hard geknikt wanneer vader hierover sprak. Amirah probeert goed naar de meneer te luisteren. De taal is vaak nog moeilijk, maar veel dingen snapt ze al. ‘Jezus Christus is naar de wereld gekomen. Volgende week denken we daar aan, dan is er feest. Wie weet hoe dit feest heet?’ vraagt de meneer. ‘Kerstfeest!’ zegt iemand naast haar. ‘Ja, heel goed!’ zegt de meneer blij en hij vertelt verder. Over wie God is en Jezus Zijn Zoon. Over verhalen in de Bijbel en over echt gelukkig zijn. Hij zegt ook dat er elke zaterdagmorgen een kinderbijbelclub is waar ze nog meer over de Heere Jezus kunnen leren. Amirah luistert goed. Het klink zo veel anders dan wat ze uit de Koran heeft geleerd. Ze zou wel willen dat ze écht gelukkig is. Want nu is ze alleen verdrietig.

‘Nasir, jongen, wie komen er allemaal?’ vraagt moeder bezorgd. Amirah luistert stil op de bank. ‘Je weet dat dit heel gevaarlijk is!’ Moeder knijpt haar handen samen. Nu is het Nasir die door de kamer loopt. Hij probeert ook vier stappen heen en vier stappen terug te nemen. ‘Moeder, ik moet iets doen, wij moeten vechten, ook in België. We zorgen er voor dat niemand iets weet, ik weet wat ik doe!’ Nasir maakt wilde gebaren en loopt snel naar de deur waar iemand op klopt. De bel was kapot, niemand repareerde hem. Eén voor één komen er jonge mannen binnen. Amirah glipt zachtjes naar haar kamer, Nasir zou haar toch wel wegsturen. Maar de muren zijn dun en als ze goed luistert kan ze horen wat ze in de kamer zeggen. ‘Er is geen land zo slecht als België!’ roept één van de mannen. ‘Kijk om je heen en wat zie je?’ roept een ander. ‘Op elke hoek van de straat staat een kerk, waar zijn onze moskeeën?’ ‘Mijn vader is naar Syrië om te vechten voor Allah, laten wij het hier doen, Allah zal ons helpen!’ Amirah herkent de stem van Nasir. Ze hoort zijn voetstappen door de kamer. Eén van de jongens begint een beetje zachter te praten. Amirah kan het nog maar nauwelijks verstaan. Ze verstaat toch een paar woorden ‘kerstfeest…’, ‘veel mensen…’, ‘kerk…’ en ‘geweren…’. Amirah schrikt. Waarom praten ze over geweren en een kerk? Haar broer heeft een hekel aan kerken en christenen, dat weet ze wel, maar hij zou er toch niet met een geweer naar toe gaan net zoals ze in Syrië deden? Amirahs hart bonst wild. Nee, ze heeft het vast verkeerd gehoord. In België is het veilig, zoiets zou hier niet gebeuren.

Amirah trekt haar muts nog dieper over haar oren en doet haar capuchon op. Het is erg koud, het vriest en het heeft gesneeuwd. Ze probeert elke keer in de grote voetstappen te stappen die ze in de sneeuw gedrukt ziet. Maar ze moet zulke grote stappen zetten dat ze zoekt naar kleine voetstapjes. Amirah lacht, want door de voetstapjes die ze nu volgt maakt ze veel te kleine stapjes. Er komt een stuk schoongemaakte stoep in de winkelstraat en Amirah huppelt er vrolijk over heen. Ze heeft een hele poos vrij, want het is vakantie. Ze zou moeder gaan helpen en een vriendin had haar gevraagd om te komen logeren. Nieuwsgierig kijkt Amirah in de etalages van de winkel. Er zijn overal lampjes te zien en Amirah leest een moeilijk woord ‘kerstartikelen’. Ze probeert het hardop uit te spreken. Het heeft vast met het feest van volgende week te maken. In de klas hadden ze ook gewerkt over het feest. En de meneer die op bezoek was gekomen had het feest kerstfeest genoemd. Opeens staat er een mevrouw voor Amirah. Ze heeft een heleboel ballonnen vast. ‘Wil je er eentje?’ vraagt ze vriendelijk. ‘Er zit ook een kaartje aan, met een uitnodiging voor het kerstfeest wat we morgen vieren in de kinderbijbelclub! We zouden het leuk vinden als jij ook komt!’ Twijfelend pakte Amirah de ballon aan. ‘Tot morgen!’ roept de mevrouw vrolijk en ze loopt verder de winkelstraat in. Nieuwsgierig bekijkt Amirah het papiertje aan de ballon. Uitnodiging kinderkerstfeest staat er met mooie letters op geschreven. Er staat een mooie foto op met 3 kamelen. Nieuwsgierig kijkt ze op het papier wanneer het feest is. Morgen al! Ze ook een ander woordje. Bijbel. Amirah schrikt. Zouden ze uit de Bijbel vertellen? Nasir zou woedend worden wanneer hij hoort dat zij daar naar toe zou gaan. Hij haat de christenen. En christenen lezen de Bijbel, dat had de meneer vanochtend verteld. Hij had ook verteld over een kinderbijbelclub. Zou het dezelfde club zijn? Amirah word steeds nieuwsgieriger. Wat zou ze graag meer te weten willen komen over het kerstfeest! Maar het is veel te gevaarlijk om te gaan. Nasir zou erg boos worden, hij zou haar misschien wel een hele vakantie in haar kamer opsluiten. Of haar slaan. Nu vader er niet is, moet hij immers op haar passen. Wanneer Amirah in de straat komt waar ze woont, maakt ze de ballon los van het kaartje. Als ze de ballon mee naar binnen zou nemen zou Nasir vragen wat dat was. Nee, dat mag nooit gebeuren, wat zou hij boos worden! De wind blaast de ballon de lucht in en Amirah kijkt hem na totdat ze hem niet meer kon zien. Ze stopt het papiertje van het kerstfeest diep in haar zak.

De volgende ochtend kan Amirah geen hap door haar keel krijgen. Ze had bijna een hele nacht gedacht aan het kerstfeest. Zou ze wel of niet gaan? Ze wilt zo graag, maar het is zo gevaarlijk om te gaan! ‘Wij zijn moslims en dat zullen we altijd blijven’, had vader gezegd toen ze nog in Syrië woonden. Nasir had natuurlijk hard geknikt. Als ze ging moest het geheim blijven. Niemand zou het mogen weten. Moeder kijkt bezorgd naar haar volle bord. ‘Amirah, eet eens’, zegt ze. Langzaam eet Amirah een paar happen. Maar het smaakt helemaal niet lekker. Ze schuift haar bord weg. Als ze bang is, wilt ze niet eten. Net als in Syrië, toen wou ze ook niet eten wanneer ze geweerschoten hoorde. Het papiertje leek wel te branden in haar zak. Ze had het al zo vaak gelezen, dat ze precies wist wat erop stond. Vanmorgen vroeg had ze zelfs op haar moeders mobiel het adres van de kinderbijbelclub opgezocht. Ze weet precies hoe ze moet lopen, het is helemaal niet zo ver. Maar ze twijfelt nog steeds of ze durft te gaan. Ze ruimt samen met moeder de ontbijtspullen op. Nasir gaat achter de laptop zitten, terwijl moeder haar spullen pakt om boodschappen te doen. Amirah zucht opgelucht. Als moeder om boodschappen gaat, kan zij misschien wel onopgemerkt naar buiten glippen. ‘Ga je mee om boodschappen, Amirah?’ vraagt moeder. Amirah denkt snel na, wat moet ze zeggen? ‘Nee, ik blijf liever thuis,’ zegt ze vlug. ‘Nou, dan ga ik alleen,’ zegt moeder en deur valt achter haar in het slot. Amirah haalt opgelucht adem. Nu Nasir nog. Zenuwachtig kijkt ze naar haar broer die naar het scherm van zijn laptop staart. Af en toe typt hij wat. Hij lijkt wel te zijn vergeten dat Amirah ook nog thuis is. Zachtjes sluipt Amirah naar de hal om haar schoenen en jas aan te doen. Haar hart bonst in haar keel. Ze hoopt zo dat Nasir niets zou vragen! BAM! Met een bons valt er een schoen van vader uit het kastje op de vloer. Amirah geeft bijna een gil van schrik. ‘Amirah, wat doe je?’ klinkt boos de stem van Nasir uit de kamer. Hij trekt de deur naar de hal open en steekt boos zijn gezicht om de hoek. ‘Waar ga je naar toe?’ vraagt hij verbaasd toen hij zag dat Amirah haar jas en schoenen had aangetrokken. Wat moet ze zeggen? ‘Naar een vriendinnetje’, zegt Amirah vlug met een trillende stem. Nasir kijkt haar twijfelend aan. Amirahs hart bonst nog harder. Zou hij het geloven? Zou ze weg mogen? Hoopvol kijkt ze naar Nasir. ‘Ik breng je wel even’, zegt Nasir. ‘Ik moet tenslotte goed voor je zorgen, en in dit land…’ Hij maakt zijn zin niet af. Het angstzweet breekt Amirah uit. Nee, dan kan niet! Ze gaat helemaal niet naar haar vriendinnetje! Ze gaat naar de bijbelclub! Wat moet ze doen als ze buiten was samen met Nasir? Op dat moment gaat de telefoon van Nasir af. Hij kijkt bezorgd naar de naam op het schermpje en zegt snel tegen Amirah: ‘Ga maar zelf, ik moet even wat bespreken.’ Opgelucht haalt Amirah adem, het lijkt wel of er een last van haar schouders valt. Ze duwt de deur open, gooit de deur achter zich dicht en rent zo hard ze kan naar de kinderbijbelclub.

Hijgend komt Amirah binnen. Ze kijkt rond, ze ziet helemaal niemand. Maar er komt een mevrouw aanlopen, ze lacht en zegt: ‘Fijn dat je ook komt! We zijn al begonnen, kom je naast mij zitten?’ Verlegen loopt Amirah mee naar een zaaltje achterin het gebouw. Daar ziet ze allemaal kinderen en mevrouwen én de meneer die ze op school ook gezien had. ‘We luisteren naar een verhaal over kerstfeest, luister maar mee’, fluistert de mevrouw naast haar. Amirah luistert goed wat de mevrouw voorin het zaaltje aan het vertellen is. ‘En toen slopen de wijze mannen uit het Oosten in de nacht stiekem de stad Jeruzalem uit’, vertelt de mevrouw. ‘Koning Herodes mag niet weten dat ze naar het pasgeboren Kind Jezus gaan, anders zou koning Herodes het willen doden! Als ze buiten zijn wijst de grote blinkende ster nog steeds hoe ze moeten reizen. Het duurt niet lang of de ster blijft staan boven het huis van een jonge vader en moeder. De rijke mannen nemen vlug hun dure cadeaus mee naar binnen. Daar zien ze het Kindje met Zijn moeder. Eerbiedig knielen ze voor Hem neer. Het lijkt wel of het Kind Jezus een gewoon Kind is met eenvoudige kleertjes, maar de Wijzen uit het Oosten weten dat het Kind een Koningskind is. Ze geloven dat Hij hun Koning is én hun Zaligmaker, Die hen verlost van hun zonden. De wijzen uit het Oosten gaan weer terug naar hun land. Nog veel rijker dan dat ze waren. Weet je waarom? Omdat de Heere Jezus in hun hart is. Kerstfeest is het feest van Jezus die naar de aarde is gekomen, maar het is pas écht Kerstfeest als dit Koningskind Jezus in je hart is gekomen!

Diep in gedachten verzonken loopt Amirah terug naar huis. Het was een fijne ochtend geweest. Ademloos had ze naar het verhaal geluisterd, prachtig had ze het gevonden. Ze zou nog wel veel meer willen weten! Gelukkig had ze een Bijbel speciaal voor kinderen mee naar huis gekregen. Ze had hem diep weggestopt in haar jas en ze hield hem stevig vast. Thuis moest ze de Bijbel op een geheime plek verstoppen zodat niemand hem kon zien. Niemand mocht weten dat ze naar de kinderbijbelclub was geweest. Ze dacht terug aan de wijze mannen uit het Oosten die ook in het geheim naar het Koningskind Jezus waren gaan kijken. Thuis zou ze kijken of ze het verhaal in haar Bijbel kon vinden. Ze is al bijna thuis. Voorzichtig houd ze met haar ene hand de jas met de Bijbel eronder vast. Met haar andere hand maakt ze de deur open. Zachtjes sluipt ze de gang in. Waar zouden moeder en Nasir zijn? Ze doet de kamerdeur op een kiertje open en gluurt naar binnen. Moeder zit met rode, betraande ogen op de bank. Amirah schrikt. Zou ze het weten? Waar is Nasir? Vlug loopt ze naar moeder toe. ‘Amirah, waar was je?’ Vraagt moeder. ‘De politie is gekomen voor Nasir. Ze hebben hem meegenomen. Ze zeiden dat hij een terroristische aanslag wou plegen!’ Amirah schrikt. Nasir door de politie gevangen genomen? Had ze het dan toch goed gehoord gisteren? Moeder kijkt wanhopig. ‘Ik moet vader bellen,’ zegt ze. ‘Ga maar even naar je kamer.’ Verdrietig loopt Amirah naar haar kamer. Ze zakt op haar bed neer. Alles is zo anders geworden de laatste dagen. Vader is weg en Nasir nu ook. Maar wat kunnen moeder en zij doen? Ze voelt de rand van de Bijbel tegen haar benen drukken. Voorzichtig haalt ze hem uit haar jas. Nu Nasir weg is, hoefde ze de Bijbel in ieder geval niet meer te verstoppen. Voor moeder hoeft ze hem niet te verstoppen, zij zou niet boos worden als ze de Bijbel zag. Ze bekijkt de mooie tekening op de voorkant van de Bijbel. Ze wilt zo graag nog meer leren over de Heere Jezus waar ze vanochtend over had gehoord. Amirah slaat haar Bijbel open en begint hardop te lezen. Het is het verhaal van het Koningskind.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *